Cultuur, Historie, Monumenten
Info:Bergen
Info:
De historische gegroeide identiteit van het Noord-Hollands kustgebied gaat terug tot aan de laatste ijstijd, zo’n 10.000 jaar v. C. Geologisch gezien is deze regio dan ook vrij jong. Je kon toen over land nog naar Engeland lopen door een toendra-achtig gebied van zand, stenen, meren en riviertjes. Vanwege de opwarming van de aarde kwam deze laagvlakte onder water te staan en omstreeks 5000 v. C. vormden zich hier langs de kust, temidden van een uitgestrekte delta, de eerste duinen. Dit gebeurde doordat zand, onder invloed van golfwerking op de zeebodem, naar de kust werd verplaatst. Uit deze tijd stammen ook de eerste overblijfselen van klokbekervolken die zich in dit gebied vestigden. Jager-verzamelaars die slim gebruik maakten van strandwallen en zandverhogingen om hun voeten droog te houden. Rond het begin van de jaartelling worden aanwijzingen van permanente bewoning door diverse stammen frequenter, zoals bijvoorbeeld die van de bandbekercultuur, Zo woonden er o.a. Friezen en in het zuidelijker kustgebied Kananefaten met als centrum het huidige Voorburg. Ook is er omstreeks deze tijd al een Romeinse versterking in de buurt van Velsen. Noord-Holland was toen nog een moerassig gebied en de kust een gatenkaas waar de zee vrij toegang had. Dit veranderde vooral met de komst van de eerste monniken die, vanuit het klooster van Egmond, rond 1100 n. C. begonnen met landontginning, dijkaanleg en inpoldering. Diverse overblijfselen van hun werk zijn ook vandaag nog te bewonderen. Resultaat van eeuwenlang ploeteren in de vette Noord-Hollandse klei in een tijd waarin de mens gemiddeld zo’n jaar of 35 werd. Zoals het uit de 13e eeuw stammende dijkenstelsel vanaf het Wiertdijkje richting Zanedijkje die tot het Bergens culturele erfgoed behoren. Klooster en Kasteel van Egmond waren van groot maatschappelijk, religieus en economisch belang voor de ontwikkeling van de regio. Het uit de 10e eeuw stammende klooster werd in 1573 tijdens de reformatie door de Geuzen verwoest en ging in vlammen op. De geconfisqueerde kostbaarheden werden deels aangewend voor oprichting van de eerste Nederlandse universiteit, die te Leiden. Uiteindelijk werd het klooster in de dertiger jaren van de vorige eeuw weer opgetrokken en in gebruik genomen. In 1956 kreeg het opnieuw, in plaats van een Priorij, de status van Abdij. Het uit de 11e eeuw stammende kasteel, waarvan nog steeds de fundamenten zichtbaar zijn, trof eenzelfde lot, werd meerdere keren verwoest en weer opgebouwd maar uiteindelijk definitief gesloopt aan het eind van de 18e eeuw. Het hele kustgebied rondom Alkmaar, met hier en daar een inpoldering, bleef nog tot ver in de 17e eeuw een zompig, drassig terrein, zoals de Spanjaarden destijds tot hun verdriet hebben moeten ervaren. Pas in de 17e eeuw begon het Noord-Hollands landschap door steeds meer droogleggingen z’n huidige vorm te krijgen en ontstond de kustrand zoals we die nu kennen. De welvaart in de nabijgelegen Zaanstreek met z’n scheepswerven, lijnolie- en touwfabrieken nam ondertussen toe, evenals die in Noord-Hollandse steden als Amsterdam, Haarlem, Hoorn en Enkhuizen. Dat men niet stond te trappelen de welvaart met de minder bedeelde broeders in de kustregio te delen, blijkt onder meer uit een gezamenlijk besluit uit 1632 van de schepenen van Haarlem, Amsterdam en Hoorn om het Alkmaar onmogelijk te maken een sluis in het Zijpe te maken, zodat de stad geen open verbinding met zee kon krijgen. Maar toch nam, in de loop van de tijd, ook de welvaart voor Alkmaar toe als handels- en distributiecentrum van landbouw-, zuivelproducten en vee. Zeker een aantal jaren na de komst van het Noord-Hollandskanaal in 1835. In het noordelijke kustgebied echter bleef het leven armoedig en schraal als het duinzand zelf. Men leefde van wat visserij, landbouw- en veeteelt, jacht op kleinwild, eendenvangst en van gevonden eieren. En soms, als er weer eens een schip op de Rede van Texel was vergaan, werd het karige inkomen aangevuld met wat jutterij. Of met de vangst van vogeltjes, iets waar de huidige naam ‘Vinkenkrocht’ in Bergen nog aan herinnert. Ook werd in latere eeuwen wel zand verkocht of zelfs naar Engeland geëxporteerd voor de glasindustrie. Door deze betrekkelijke armoede vindt men in deze streek dan ook weinig cultuurhistorische overblijfselen en tot aan het begin van de vorige eeuw zorgden zandverstuivingen bovendien nog voor veel overlast. Hieraan kwam mede een einde door het planten van dennenbomen. Waren de schrale zandgronden tot nu toe juist de oorzaak van de armoede geweest, met het opkomende toerisme veranderde dit, met de aanleg van bossen, gestaag in een voordeel. Want onbedoeld werd met deze aanplant, vanwege de elders groeiende welvaart, de basis gelegd voor een geheel nieuwe vorm van broodwinning. Welgestelde Amsterdammers ontdekten het natuurschoon in de streek en bouwden er hun villa’s en buitenhuizen. Van klassiek tot modern en al dan niet onder architectuur. In hun kielzog trokken kunstenaars mee naar deze regio, net als in Laren, om die te ontdekken en zich hier door de ongerepte natuur te laten inspireren. Er werden pensions, restaurants en hotels gebouwd waardoor dit kustgebied nu al meer dan een eeuw ervaring met toerisme en hotellerie heeft en ‘hospitality’ er tot kunst is verheven. In dit opzicht is er hier dan ook een traditie opgebouwd van comfort, kwaliteit en goed eten die vandaag de dag nog steeds merkbaar is. Tegelijkertijd kwamen, door de toenemende voorspoed, cultuurhistorische monumenten tot stand zoals het Park Meerwijk in Bergen; in feite één groot monument en een permanente openluchtpositie van de architecten van de Amsterdamse School. Maar ook vond ontsluiting en bouw van het pittoreske kustdorpje Bergen aan Zee plaats, met z’n diverse stijlvolle monumenten.







